Mag een werkgever een werknemer ontslaan omdat hij geen hand geeft uit religieuze overtuiging? Deze vraag stond centraal in een recente uitspraak van de rechtbank. Een arbeidsovereenkomst van een jonge IT Servicedesk medewerker werd binnen twee dagen beëindigd, omdat hij weigerde een vrouwelijke collega de hand te geven. De rechter oordeelde dat het ontslag onterecht was vanwege ongelijke behandeling op grond van zijn geloof en kende een aanzienlijke billijke vergoeding toe.
Wat speelde er?
Een jonge IT Servicedesk medewerker trad op 1 juni 2025 in dienst bij een werkgever en werd gedetacheerd bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). Op zijn tweede werkdag weigerde hij een vrouwelijke collega de hand te geven, met verwijzing naar zijn geloof. Het COA meldde het incident aan de werkgever, omdat dit als mogelijk discriminerend werd gezien.
De werkgever nam nog dezelfde dag contact op met de werknemer en sprak met hem over het incident. Kort daarna stuurde de werknemer een e-mail waarin hij zijn excuses aanbood voor het ongemak en lichtte toe dat zijn handelen voortkwam uit zijn religieuze overtuiging, niet uit een gebrek aan respect of motivatie.
Toch volgde enkele uren later al het bericht dat zijn arbeidsovereenkomst per direct werd beëindigd, nog binnen de overeengekomen proeftijd. Op verzoek van de werknemer lichtte de werkgever later schriftelijk toe dat het ontslag te maken had met onvoldoende aansluiting van zijn functioneren bij de organisatie.
De beoordeling van de kantonrechter
De kernvraag voor de rechtbank was of de werkgever de arbeidsovereenkomst terecht had opgezegd, of dat sprake was van verboden onderscheid op grond van geloofsovertuiging.
De rechter vond dat er redenen waren om te vermoeden dat het ontslag te maken had met de religie van de werknemer. Het was vervolgens aan de werkgever om te bewijzen dat het ontslag niet gebaseerd was op de religieuze overtuiging van de werknemer. Daar slaagde de werkgever niet in.
De door de werkgever aangevoerde redenen, zoals twijfels over communicatieve vaardigheden of het negeren van instructies, konden niet overtuigend worden onderbouwd. Bovendien was het contact van de werknemer met collega’s beperkt en grotendeels telefonisch, waardoor het schudden van handen voor de uitvoering van zijn functie nauwelijks noodzakelijk was. Er was dus geen goede reden om hem op deze manier te behandelen.
De kantonrechter stelde vast dat het ontslag onterecht was omdat het gebaseerd leek op de religieuze overtuiging van de werknemer, en verklaarde het daarom ongeldig. De werknemer kreeg recht op een billijke vergoeding van € 34.000 bruto. Dit bedrag is bedoeld als compensatie voor het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever en niet als straf. Daarnaast werd de werkgever veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 1.681.
Waarom deze uitspraak belangrijk is?
Deze uitspraak benadrukt een paar belangrijke lessen:
- Werkgevers mogen geen werknemers ontslaan op basis van hun geloof of religieuze overtuiging;
- Zelfs binnen een proeftijd moet de werkgever kunnen aantonen dat het ontslag niet discriminerend is;
- Werknemers hebben het recht om hun geloofsovertuiging te uiten, mits zij hun werk op een professionele manier uitvoeren;
- Voor werkgevers is het belangrijk om beleid te hebben dat rekening houdt met diversiteit en dat beslissingen over ontslag goed documenteert.
Heb je vragen over proeftijdontslag, discriminatie op de werkvloer of de rechten van werknemers en werkgevers in dit soort situaties? Neem gerust contact met ons op via: ln.wal-xat-oilisnoc@xkirdneh.euqinad
Geschreven door Veerle Bergenhuizen, juridische stagiaire
