Het Europees Hof van Justitie heeft op 12 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak (C-119/24) over de aanvullende Belgische staatsbelasting die wordt opgelegd aan niet-inwoners die in België werken en daardoor in België belasting verschuldigd zijn.
Aan niet-inwoners wordt in België een toeslag van 7% aan staatsbelasting over hun personenbelasting (Belgische inkomstenbelasting) opgelegd. Deze toeslag is bedoeld als een equivalent voor de gemeentelijke opcentiemen die Belgische inwoners betalen.
Gemeentelijke opcentiemen zijn toeslagen die gemeenten innen bovenop de personenbelasting als extra bron van inkomsten.
Veel grensarbeiders ervaren deze regeling als oneerlijk, omdat zij weinig tot geen gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen. Daarom voelt het voor hen niet logisch dat zij fiscaal op dezelfde manier worden behandeld als inwoners die wél intensief van deze diensten gebruikmaken.
Daarnaast wordt bij niet-inwoners altijd een vast percentage van 7% van de verschuldigde personenbelasting toegepast. Voor inwoners kan het percentage verschillen afhankelijk van de gemeente waarin zij wonen; het percentage kan in dat geval variëren van 0% tot 8%.
Het kan dus voorkomen dat een niet‑inwoner 7% aan opcentiemen moet betalen, terwijl een inwoner van een bepaalde gemeente 0% aan opcentiemen verschuldigd is.
Het Europese Hof van Justitie kreeg deze kwestie voorgelegd via een prejudiciële vraag van het Hof van Beroep Luik. De kernvraag was of deze Belgische wetgeving in strijd is met het in de Europese regelgeving vastgelegde recht op vrij verkeer van werknemers. Dit recht beschermt werknemers die in een andere EU-lidstaat gaan werken. Het verbiedt discriminatie van werknemers uit andere lidstaten en sluit maatregelen uit die de uitoefening van grensarbeid belemmeren.
De Advocaat-Generaal, een onafhankelijke adviseur bij het Hof van Justitie van de EU, concludeerde dat het recht op vrij verkeer van werknemers niet per se wordt geschonden door deze Belgische regeling, mits aan twee voorwaarden wordt voldaan:
- De toeslag voor niet-inwoners mag niet hoger zijn dan wat inwoners in een gemeente moeten betalen;
- Het evenredigheidsbeginsel moet worden gerespecteerd. Dit houdt in dat de maatregel niet verder mag gaan dan noodzakelijk is en dat deze een legitiem en redelijk doel moet dienen.
Daarvan is in dit geval geen sprake. Het Hof van Justitie beslist dan ook in lijn met de conclusie van de Advocaat-Generaal dat het recht op vrij verkeer van werknemers wel wordt geschonden door de Belgische regeling. Het Hof stelt dat een EU‑land een niet‑inwoner geen vaste aanvullende belasting mag opleggen wanneer daardoor de belastingdruk hoger kan uitvallen dan voor inwoners die een variabele gemeentelijke toeslag betalen. Het Hof geeft daarbij (helaas) niet aan hoe een correct alternatief systeem er uit zou moeten zien.
De verwachting is dat de Belgische fiscus de uitspraak voorlopig niet actief zal toepassen en de bezwaarschriften van niet-inwoners zal blijven afwijzen. Dit dwingt de grensarbeiders in kwestie om via de rechter gelijk te halen. Het gaat echter vaak om kleine bedragen per persoon, waardoor het voor hen niet de moeite waard is om hiervoor te procederen.
Wij houden de ontwikkelingen rondom dit onderwerp nauwlettend in de gaten. Vragen hierover? Neem contact met ons op!
